English

 

 

 

Max Linder.

 

 

   LEO FAUST schrijft ons uit Parijs dd. 20 October:

   Er is verteld, dat de populaire cinemaartist, het „enfant chéri" van het kientop-minnend publiek, Max Linder dood zou zijn, — mort au champ d'honneur.

   Hier in Parijs heeft het gerucht langen tijd hardnekkig de ronde gedaan, en toen ik onlangs voor eenige dagen in Holland was, moest ik constateeren dat ook daar door velen geloof geschonken wordt aan dat praatje.

   Ik wist, dat het onzin was. Linder is wel gemobiliseerd, doch hij is nooit in de vuurlinie geweest. Zijn altijd eenigszins wankele gezondheid doet hem niet opgewassen zijn tegen de vermoeienissen van den dienst te velde, dus heeft het leger-bestuur hem een taak binnen Parijs aangewezen en hem te werk gesteld bij de intendance van het Roode Kruis. Gesneuveld kon de groote komiek dus niet zijn.

   Maar het baatte niets of men den menschen in Holland dit ook al uiteenzette. »Nu ja, kreeg men dan ten antwoord, dat vertellen jullie maar om de oude films nog als nieuw aan den man te kunnen brengen! Maar ik heb uit zeer betrouwbare bron gehoord, dat ie dood is!" — Die zeer betrouwbare bron was dan de knecht van den bakker op den hoek, of een neef van de werkvrouw. En de mensch vertelt graag iets sensationeels en gelooft graag iets aangrijpends.

   Zoodra ik in Parijs terug was, ben ik Linder toen gaan opzoeken om uit zijn eigen mond de tegenspraak van zijn overlijden te vernemen, en — zoo mogelijk — een of ander document machtig te worden, waarmee ik mijn lezers zou kunnen bewijzen dat hij er nog niet aan denkt om op te stappen.

   Bij mijn eerste bezoek vond ik „Max" niet thuis, maar vanochtend heb ik tegen het koffie-uur mijn poging herhaald en ditmaal met meer succes.

   Linder woont, wanneer hij niet op zijn buitengoed vertoeft, hier in een schitterende rez-de-chaussée aan den Quai d'Orsay no. 113. Voor het huis kabbelt de Seine; en in de verte, op den anderen oever, schuin aan den overkant, prijkt de karakteristieke bouw van het Trocadéro.

   Een oude dienstmaagd, type Hollandsche schoonmaakster, liet mij in een coquet salonnetje, geel satijn en donkerrood mahonie. Of ik maar even plaats wou nemen en vijf minuten wachten. Mijnheer was aan zijn déjeuner; net met de auto thuisgekomen.

   Ik gebruikte de vijf minuten om de kamer eens rond te kijken. Op schilderijengebied schijnt Linder een bewonderaar van het pointillé te zijn. Aan den wand hingen verscheiden schilderijen, alle gepointilleerd, met veel fel oker-geel en hard blauw, doch over 't algemeen wel knap in hun genre. Voorts ontdekte ik o.a. een mooi bibliotheek-kastje met gebonden Shakespere's, Lamartine's, Victor Hugo's. Maar het meest typische was op de geelsatijnen sofa, welke smaakvol in een hoek was ingebouwd, een heele groote teddy-beer! ….

   Lang hoefde ik niet te wachten. Inderdaad was het niet meer dan vijf minuten. In de aangrenzende kamer hoorde ik wat geklik van porseleinen vaatwerk, een paar vegen met een kleerborstel, en toen ging de deur open en kwam de man, die bij Pathé in drie jaar tijds een millioen verdient, met uitgestoken hand op mij toe.

   Hij was in het kostuum van gewoon Fransch militair, maar een kostuum dat hem prachtig paste. Mijn eerste indruk was: wat is hij klein van stuk! Mijn tweede: wat zit zijn buis keurig!

   Hij deed heelemaal niet komedianterig. Bescheiden en ernstig ging hij tegenover mij zitten, zoodra ik weer had plaats genomen, — een sympathieke, wel-opgevoede, eenvoudige soldaat.

   — „Wel," zei hij, toen ik hem het doel van mijn bezoek had uitgelegd, „die onzinnige geruchten loopen niet alleen in uw land, maar over de heele wereld. Ik wil natuurlijk niets liever dan ze tegenspreken en graag zou ik voldoen aan uw verzoek om u een kleine attestatie de vita van mij mee te geven, indien het mij als militair niet verboden was, in deze dagen, iets, wat het ook zij, op schrift te stellen."

   De uitvlucht kwam mij — eerlijk gezegd — een beetje kinderachtig voor. Ik ben wel erg goedgeloovig, maar toch niet zóó naief om aan te nemen, dat het in deze sombere tijden een Fransch militair verboden zou zijn aan familie en vrienden een teeken van leven te geven!

   Had Linder mij gezegd; „Kijk eens, als ik aan u zoon papiertje geef, moet ik het aan anderen óók geven, anders maak ik kwade vrienden en ik haal mij een eindelooze soesah op den hals", — dan had ik in mijn hart moeten antwoorden: man, je hebt gelijk!

   Maar dit smoesje!

   Intusschen, de beleefdheid gebood me het te accepteeren. Alleen opperde ik nog het denkbeeld om mij dan alleen een portret mee te geven, een gewoon druk-op-den-knopje desnoods, waarop de doodgewaande aan den achterkant slechts zijn handteekening zou zetten met den datum van heden erbij. Dat kan toch niet verboden zijn!

   Doch ook daar wou mijn gastheer niet aan.

   „Ik heb wat beters!" zoo viel hij mij in de rede.

   En toen vertelde hij, dat hij om aan het praatje den kop in te drukken zijn chef verzocht had om diens toestemming voor het opnemen van een film, waarop men „Max" als militair aan het werk zal zien. Als militair, — geen spel echter ditmaal, doch ernst!

   Deze toestemming heeft Linder reeds verkregen, en een dezer dagen, op een ochtend dat het een beetje gunstig weer is, zal een operateur van het huis Pathé Frères de opname maken. Zij zal door de militaire autoriteit gewaarmerkt en gedateerd worden. En spoedig zal het publiek over de geheele wereld dus zijn troetelkind kunnen toejuichen, niet in een rol, doch temidden van zijn medesoldaten en in een pakje dat nu eens niet bepaald voor de bioscoop is gemaakt, — en zich met eigen oogen van zijn leven en welzijn overtuigen.

   In afwachting daarvan kan ik u althans op mijn woord van eer vertellen, dat de groote komiek vanochtend nog springlevend was, vol moed en toewijding voor de goede zaak en dat ik hem „eigenhandig" een bonne chance voor het verdere heb toegewenscht.

   Max Linder is niet dood; hij leeft!

(Nieuws van den dag voor Nederlandsch-Indië, 30.11.1914)