Het eerste en laatste interview

van den Kino-koning.

 


 

   Max Linder, die zeker de beroemdste kino-tooneelspeler ter wereld was en dien men daarom den bijnaam van „Kino-koning" had gegeven is — naar de oorlogsberichten hebben gemeld — als Fransch soldaat in België gesneuveld, hetgeen echter door een later bericht werd tegengesproken. Kort tevoren had hij voor het eerst het „gouden zwijgen", dat hem in zijn kunst zooveel roem en geld had aangebracht, verbroken en aan een medewerker van de World Magazine een onderhoud toegestaan, waarin hij vertelde over zijn loopbaan, zijn inkomsten en ook zijn verlangen, aan den wereldoorlog te kunnen deelnemen, liet doorschemeren.

   De bezoeker van „Max van de Bioscope" in zijn prachtige villa, gelegen aan den oever van de Marne in het schilderachtige Varennes, waar toen nog alles bloeide en rijpte en waar nu de oorlog alles heeft verwoest en vernield.

   De 29-jarige tooneelspeler, wiens mimiek jarenlang het publiek over de geheele wereld aan het lachen heeft gemaakt, was vrijgezel. Hij wijdde zich geheel aan zijn werk, dat hem veel opbracht, maar hem ook geheel in beslag nam.

   Als kleine jongen — vertelde hij — zag ik eens een kindercomedie. Ik was toen 4 jaar en van dien tijd af dateert mijn verlangen naar het tooneel. Ik dacht en droom de van niets anders meer dan van tooneelspeler moest worden. Als schooljongen te Bordeaux was ik de beste in het opzeggen van versjes, maar in de andere vakken was ik bij lange na niet zoo'n bolleboos. Eenige jaren later ging ik naar Charles Le Bargy, den toenmaligen secretaris van de Comedie Française en wist gedaan te krijgen, dat ik in dezen oud-eerbiedwaardigen schouwburg mijn aanvangsstudiën mocht maken, maar weldra begreep ik dat ik daar niet op mijn plaats was en toen ging ik naar het Théâtre des Variétés, waar ik „in de zwijgende rollen mocht meeloopen" (figureeren).

   Op zekeren avond barstte ik van nijd, want de tenor van het gezelschap liet overal een brief zien, waarin de Gebrs. Pathé hem uitnoodigden om voor 100.000 frs. liederen in de gramofoon te komen zingen.

   Ik had 't toen wel uit kunnen schreeuwen van woede, maar wie het laatst lacht, lacht het best.

   Eenige dagen later kreeg ik ook een brief, op welks couvert de toovernaam „Pathé Frères" stond en zij schreven mij:

              „Mijnheer!

   Wij hebben u gisteren onder de figuranten gezien. De uitdrukking van uw oogen is alleen reeds 100.000 frs. waard. Wij bieden u het dubbele van die som, wanneer ge u uitsluitend voor onze films beschikbaar wilt stellen."

   Ik sloot met Pathé een contract, waarbij mij een vast salaris van 350.000 frs. per jaar werd toegekend, maar daarvoor ben ik maar 3 maanden verbonden geweest, want ik kon veel meer verdienen. Op mijn laatste tournee in Rusland bedroeg mijn gage 3000 frs. per dag voor 3 maanden. Mijn eerstvolgende tournee zal mij in een maand 120.000 frs. opbrengen. Dat alles zijn echter bijverdiensten wanneer ik voor anderen optreed en dan komen er nog mijn filmhonoraria bij. Ik stel niet alleen mijn films zelf samen, maar studeer ze ook in met mijn troep en zoodoende ben ik directeur, inpresario en tooneelspeler tegelijk. Daarbij heb ik geen gemakkelijk leventje, integendeel. Ik moet van hooge bruggen in de rivier springen; heb in twee dagen geleerd met een watervliegtuig te vliegen; heb mij, zonder dat ik kon paardrijden, op de wildste paarden gewaagd en te Madrid heb ik zelfs bij een corrida een stier gedood. Hier ziet gij nog het litteeken van een hevige beet aan mijn pols, die ik eens van een politiehond heb gekregen. Maar ik houd veel van avonturen en durf mij in de gevaarlijkste ondernemingen begeven. Vrees heb ik nog nooit gekend. (Rotterdamsch Nieuwsblad, 22.10.1914)